Hoe werken group policies?
Hi, het komt uit mijn Windows Server 2003 boek, maar is nog steeds actueel: group policies.
Een netwerkbeheerder is tijdens het uitvoeren van zijn werk vaak bezig met het ad hoc oplossen van problemen van velerlei aard. Vervelend hieraan is, dat vaak de wat moeilijkere opdrachten hierdoor blijven liggen, of dat een netwerkbeheerder vaak wordt gestoord en “er weer helemaal in moet komen” voordat hij of zij weer op een goede manier verder kan gaan met deze moeilijkere opdrachten. Heel vervelend, en voor een groot deel onnodig, is het wanneer deze kleine ad hoc problemen veroorzaakt worden door de gebruikers van het netwerk. Vaak worden deze problemen per ongeluk veroorzaakt door de onwetendheid van diezelfde gebruikers. Als netwerkbeheerder zou uw leven een stuk gemakkelijker kunnen zijn als niet meer die kleine problemen zou moeten oplossen, tussen de bedrijven door. Daarnaast zou het fijn zijn als u ook uw beveiliging zou kunnen regelen vanuit één management console en dat u niet steeds hoeft te controleren of deze beveiligingsinstellingen nog wel actief zijn. Sinds de invoering van Active Directory in Windows 2000 zagen ook de group policies het levenslicht. In feite zijn het objecten in Active Directory net zoals user-objecten en computer-objecten. Group Policy Objecten dus, afgekort GPO. GPO’s kunnen u helpen als netwerkbeheerder om een groot aantal van die kleine, irritante problemen te voorkomen door het opleggen van restricties aan gebruikers en/of computers en het instellen van beveiliging. In dit hoofdstuk leert u alle mogelijkheden van Group Policy Objecten kennen en gebruiken. Daarnaast leert u hoe meerdere GPO’s kunnen worden gecombineerd en hoe eventuele conflicten door Active Directory worden behandeld. Ook worden security GPO’s in dit hoofdstuk behandeld en leert u de Group Policy Management Console, afgekort GPMC, gebruiken.
4.1 Inleiding GPO
Group Policy Objecten kennen een aantal functionaliteiten. Zo kunt u restricties opleggen aan gebruikers, maar kunt u ook diezelfde gebruikers weer voorzien van software, automatisch uitgerold via diezelfde GPO’s. Daarnaast kunt u binnen group policies uw computers in uw netwerk voorzien van de nodige beveiligingsinstellingen. Binnen Active Directory is een speciale plaats (container) aanwezig waarin de GPO’s worden opgeslagen. Op de plaats van opslag wordt niet duidelijk naar welke policies u daadwerkelijk aan het kijken bent. De policies worden daar namelijk opgeslagen onder hun Global Unique IDentifier of GUID. De daadwerkelijke Group Policy Objecten zijn te vinden in de policies container die een subcontainer is van de system container. Om de GPO’s te bekijken onderneemt u de volgende stappen:
- Open Active Directory User and Computers.
- Vouw het domain uit, en zorg ervoor de u de Advanced Features kunt zien door in het menu view dit in te schakelen.
- Navigeer vervolgens naar system en vervolgens naar policies.
Figuur 4.1: De Group Policy Objecten zijn zichtbaar in de Active Directory Users and Computers MMC, weergegeven met de GUID van het object.
De daadwerkelijk instellingen van een Group Policy staan niet opgeslagen in het Group Policy Object in Active Directory, maar staan opgeslagen in diverse bestanden op de harde schijf van iedere domain controller. Omdat alle gebruikers en computers die bestanden moeten kunnen lezen om de group policies te kunnen uitvoeren, staan deze bestanden in de gedeelde Active Directory map SYSVOL. Deze map wordt door Active Directory gebruikt om alle verplicht gedeelde bestanden beschikbaar te maken binnen het netwerk. Denk hierbij niet alleen aan Group Policy bestanden, maar ook aan scripts die aangeroepen worden tijdens het opstarten of inloggen. Stadaard vindt u de SYSVOL map onder uw Windows directory. De SYSVOL map wordt tussen alle domain controllers gerepliceerd, zodat alle domain controllers beschikbaar zijn om zulke belangrijke bestanden te kunnen distribueren, dit repliceren wordt uitgevoerd door de File Replication Service, FRS.
Figuur 4.2: De fysieke locatie van de instellingen die bij de Active Directory Group Policy Objecten horen.
In de adresbalk die wordt weergegeven in Figuur 4.2 kunt u zien waar de bestanden staan op de domain controllers. U kunt hier ook de vergelijking trekken met de daadwerkelijke objecten die u in Figuur 4.1 heeft gezien. De echte instellingen waaruit een group policy bestaat, kunt u vinden als u de directories uitvouwt die horen bij de group policies. Als u de “GUID map” openvouwt ziet u dat een group policy bestaat uit een drietal mappen én een GPT.INI bestand.
Figuur 4.3: De onderdelen van een Group Policy Object.
De twee belangrijkste onderdelen van een group policy zijn het Machine en User gedeelte. Het machine, of computer, gedeelte is de plaats waarin instellingen worden opgeslagen die alléén voor computer-objecten gelden. Het user gedeelte is de plaats waarin instellingen voor user-objecten worden opgeslagen. De map Adm is de plaats waar de zogeheten .adm bestanden kunnen worden opgeslagen. .adm Bestanden zijn template bestanden, eventuele uitbreidingen op de standaardfunctionaliteit die group policies bieden. Het GPT.INI bestand is de Group Policy Template, de standaardinstellingen van iedere group policy. Standaard is dit bestand bijna leeg en wordt er slechts een versienummer van dit bestand weergegeven.
De echte instellingen kunt u vinden in .INF bestanden die her en der zijn verstopt in de mappenstructuur van de “GUID map”. Figuur 4.4 geeft een voorbeeld weer van een .INF bestand waarin de uiteindelijke instellen zijn opgeslagen voor een group policy.
Figuur 4.4: De instellingen zijn opgeslagen in een .INF bestand.
Alle instellingen die u doet komen als .INF bestand in één van de mappen die bij de group policy horen.
4.2 Inheritance
Group policies zijn objecten die binnen Active Directory worden opgeslagen in een speciaal daarvoor bestemde container. Om de group policies zover te krijgen dat ze ook daadwerkelijk de instellingen die ze met zich meedragen toe te passen op gebruikers die inloggen of op computers die opstarten, moeten de group policies gekoppeld worden aan de container-objecten waar die gebruikers en computers onderdeel van zijn. Dit heet linken. Group Policy Objecten kunnen worden gekoppeld op drie verschillende niveaus binnen Active Directory:
- Organizational Unit: U kunt group policies koppelen aan OU’s. Stel dat in uw bedrijf een afdeling administratie heeft en dat alle medewerkers van die afdeling gebruik maken van eenzelfde boekhoud applicatie. U zou dan op het niveau van die OU een GPO kunnen linken waarin die applicatie automatisch wordt geïnstalleerd. De applicatie wordt dan automatisch geïnstalleerd voor iedere gebruiker die in die OU zijn of haar gebruikeraccount heeft. Mochten er gebruikers zijn die van een andere afdeling verhuizen naar die afdeling, dan is uw taak slechts het verplaatsen van het betreffende user-object in Active Directory naar de OU van de afdeling administratie. De gebruiker zal dan, de eerstvolgende keer als deze inlogt op het netwerk, de applicatie geïnstalleerd krijgen, automatisch.
- Domain: Instellingen die voor iedere gebruiker of computer die lid is van het domain moeten gelden, stelt u in een group policy die gekoppeld is aan het domain. Een voorbeeld van een instelling dat altijd op domain level wordt gezet is de minimale wachtwoordlengte van een gebruikeraccount in Active Directory. Verder zou u kunnen vinden dat alle gebruikers van een domain bepaalde restricties opgelegd moeten krijgen met betrekking tot het opstarten van register tools waarmee het Windows register kan worden aangepast.
- Sites: Mocht het nodig zijn dat alle gebruikers of computers die inloggen op een bepaalde vestiging dezelfde restricties krijgen opgelegd of dezelfde software krijgen geïnstalleerd, dan kunt u op het niveau van Active Directory Sites links maken met Group Policy Objecten.
Een andere plaats waar u Group Policy Objecten kunt aanmaken is op het niveau van een locale computer. Het is echter niet zo, dat op group policies die u aanmaakt op computer niveau, een link heeft met een Group Policy Object in Active Directory. Group policies die u aanmaakt op een computer zijn in werkelijk geen echte groep policies, maar wijzigingen die u doet in het register van die computer. Als een computer lid is van een domain, en u heeft zulke instellingen gedaan op die computer, zullen die instellingen ALTIJD worden overschreven met conflicterende settings die u in Active Directory heeft gedaan door middel van group policies. Toch kunnen, als er binnen Active Directory geen conflicterende instellingen zijn gedaan, de locale policies behoren tot de effectieve instellingen die een gebruiker ervaart achter zijn of haar computer.
Effectieve instellingen door group policies.
Omdat u instellingen kunt doen op verschillende niveaus zoals sites, domains en organizational units, kan het voorkomen dat u conflicterende instellingen doet. De vraag is dan uiteraard welke instelling de effectieve instelling is voor de gebruiker die ermee te maken krijgt. Een gebruiker kan lid zijn van zowel een site, een domain en een organizational unit tegelijk. Sterker nog, dat is een user-object, en ook een computer-object, altijd.
Het bepalen van wat de effectieve groep policy instellingen worden nadat alle group policies zijn toegepast en samengevoegd valt en staat bij de volgorde waarin de verschillende groep policies worden aangeroepen door Active Directory.
Figuur 4.5: De afhandelvolgorde van group policies.
- Local Computer: De instellingen die u locaal heef ingesteld op de computer worden als eerste doorgevoerd.
- Site: De instellingen die u door middel van group policies op site level worden als tweede toegepast.
- Domain: Als derde worden de instellingen op domain level toegepast. Waar u op moet letten is dat het goed mogelijk is dat er meerdere domains in een site zijn vertegenwoordigd. Niet alleen kunnen er domain controllers uit verschillende domains in één zelfde site zijn gestationeerd, ook gebruikers uit een domain dat niet door domain controllers is vertegenwoordigd in een site kunnen met een laptop op desktop computer inloggen via de betreffende site. Een gebruiker en computer zullen altijd alléén instellingen aannemen die uitsluitend vanuit het eigen domain worden opgelegd middels group policies.
- Organizational Unit: Op de vierde plaats komen organizational units. Gebruikers en computers zullen alleen instellingen toepassen die indirect of direct vanuit OU niveau zijn gezet. Direct houdt in dat de group policy is gekoppeld aan een OU waar de gebruiker direct van is. Indirect houdt in dat een user-object uit de twee laag (zie Figuur 4.5) OU’s ook child-object is van de eerste laag OU’s.
Gouden regel is:
De laatst geladen instelling is de effectieve instelling, tenzij…
Vooral deze tenzij is heel erg belangrijk. Er zijn namelijk legio uitzonderingen op deze regel. Het eerste gedeelte van de gouden regel van group policies is duidelijk: Als een group op domain level stelt dat alle gebruikers in dat domain geen “run” commando in het startmenu mogen zien, en op OU level wordt gesteld dat alle gebruikers in die OU juist wel een “run” commando in het startmenu moeten zien, dan is voor de gebruikers binnen die OU de effectieve policy dat ze wel het “run” commando zien in het startmenu. Dat is zo omdat OU level group policies later geladen worden dan domain level group policies. De tenzij zou in dit geval een andere effectieve instelling teweeg kunnen brengen. De uitzonderingen voor group policies op een rij:
- Block Inheritance: U kunt naargelang dat nodig is, op de verschillende levels het erven van rechten tegenhouden. Dit zou u kunnen doen op het moment dat u bijvoorbeeld op domain level een group policy heeft aangemaakt met instellingen waarvan u wilt dat deze gelden voor iedereen binnen dat domain. Als er dan tóch één afdeling, of groep van computers of gebruikers, géén gebruik moeten maken van die instellingen die uit deze group policy voortkomen kunt u de betreffende Active Directory objecten in eenzelfde organizational unit plaatsen. Op de OU kunt u dan het erven van rechten tegenhouden zodat group policy van hogere levels niet worden doorgevoerd. Het uitschakelen van het erven van rechten doet u voor alle group policies die van hoger niveau komen tegelijk. Het is niet mogelijk om slechts één group policy op deze manier te blokkeren.
Figuur 4.6: Block Inheritance stopt het erven van group policies.
Figuur 4.7: Block Inheritance inschakelen.
- Enforced: In grote bedrijven, waar het kan voorkomen dat binnen Active Directory voor een aantal organizational units eigen netwerkbeheerders zijn aangewezen door middel van Delegation of Control, kan het gebeuren dat een domain administrator een group policy heeft aangemaakt die voor iedereen in het domain moet gelden. Met het blokkeren van inheritance kan een OU administrator er voor zorgen dat zijn OU geen last heeft van die group policy. Om er voor te zorgen dat de instellingen in de group policy op domain level te allen tijde wordt doorgevoerd, kunt u de optie enforced toepassen op die group policy. De optie enforced wordt ingesteld per group policy.
De optie Enforced overruled Block Inheritance.
Figuur 4.8: Enforced group policies overrule de block inheritance.
Figuur 4.9: Group policy enforcement inschakelen.
- Filtering: In sommige gevallen kan het zelfs voorkomen dat u een bepaald niveau een group policy heeft aangemaakt waarvan de instellingen op alle onderliggende niveaus moeten worden toegepast, uitgezonderd één of een aantal Active Directory objecten. U kunt dan gebruik maken van de mogelijkheid tot filtering voor Group Policy Objecten. Ieder Group Policy Object heeft zijn eigen access control list waarin het recht “Apply group policy” voorkomt. Als u voor een user-object, een computer-object of een group-object instelt dat het betreffende object juist niet het “Apply group policy” recht toegewezen krijgt voor een group policy kunt u dit object er uitfilteren.
Group policy filtering overruled de optie enforced.
Figuur 4.10: Het “Apply group policy” recht uitschakelen door middel van de “Deny” permissie hierop.
4.3 Group Policy Management Console.
Het beheer van group policies gebeurt via de Group Policy Management Console. Dit is een extra beheertool die niet standaard door Microsoft in Windows Server 2003 is gestopt. De group policy managent console moet worden gedownload op de website van Microsoft. U moet daar zoeken naar GPMC.MSI, het installatiebestand voor de group policy managent console. U kunt group policies aanmaken en configureren zonder de group policy managent console maar u mist dan een aantal handigheidjes die zonder deze tool niet beschikbaar zijn. De voordelen van de group policy managent console:
- Overzicht van alle Group Policy Objecten: U heeft een overzicht van alle Group Policy Objecten van u gehele forest.
- Overzicht van group policy links: U kunt per group policy zien aan welke organizational units deze is gelinkd.
- Rapportage: In één overzicht alle instellingen die in uw Group Policy Object zijn gezet.
- Resultant Set of Policy: Bereken de effectieve instellingen die van toepassing zijn op een user-object of een computer-object of bekijk effectieve instellingen die van toepassing zouden zijn na een aantal wijzigingen in de Active Directory structuur.
OPDRACHT 5.1 Group Policy Management Console.
Download en installer de Group Policy Management Console op uw Windows Server 2003 computer. Let op: het zou kunnen dat u ook ASP.NET moet installeren, dit doet u via het control panel onder add/remove software – windows components.
4.4 User/Computer
Als u de group policy management console heeft geïnstalleerd, kunt u beginnen met het aanmaken van een group policies. Daarvoor onderneemt u de volgende stappen:
- Selecteer het niveau waarop u een group policy wilt aanmaken en de link wilt leggen. Klik vervolgens hierop met de rechter muisknop. Klik op Create and Link a GPO here.
- Geef het nieuwe group policy object een naam in het New GPO venster, klik vervolgens op OK.
Op dit moment is er slechts een leeg Group Policy Object aangemaakt in de policies container binnen Active Directory én een link naar dat object op het niveau waar u bent begonnen met het aanmaken van dat object. Om een group policy echt functioneel te maken moeten er daadwerkelijke settings worden gedaan. Om dat te kunnen doen moet u de group policy openen zodat er aanpassingen kunnen worden gedaan. Daarvoor doet u het volgende:
- U vindt de nieuwe group policy terug, direct onder het niveau waar u heeft gekozen om een nieuwe group policy link aan te maken, inclusief een group policy object. Klik met de rechter muisknop op de group policy en klik vervolgens op Edit.
- De Group Policy Object Editor wordt gestart. Dit is een venster waarin u daadwerkelijke settings kunt doen voor dit group policy object.
- Als u klaar bent met het doen van instellingen kunt u de Group Policy Object Editor afsluiten door op het kruisje rechtsboven aan te klikken.
Figuur 4.11: Een group policy is geopend. U kunt nu instellingen doen.
U kunt zien in Figuur 4.11 dat een group policy bestaat uit twee gedeelten. Een computer gedeelte en een user gedeelte. Instellingen die u doet in het computer gedeelte hebben alléén effect op de computeraccounts die door deze group policy worden geaffecteerd. Instellingen die u doet in het user gedeelte hebben alléén effect op de gebruikeraccounts die door deze group policy worden geaffecteerd. De instellingen die u kunt instellen op de twee gedeelten, worden globaal weergegeven in Tabel 4.1. Om een uitgebreide indruk te krijgen van de instellingen die standaard binnen group policies beschikbaar zijn doet u er goed aan om eens alle instellingen te bekijken door de gehele group policy door te spitten.
Tabel 4.1: Instellingen in group policies.
|
Group policy onderwerp |
Onderdelen |
Omschrijving |
|
Computer Configuration: Software Settings |
|
Om met behulp van group policies software uit te rollen naar computers gebruikt u dit deel van het group policy object. Belangrijk om te weten is, is dat aan computer objecten software alléén assigned kan worden. Dit houdt in dat als u gebruik maakt van deze optie, de software, onafhankelijk van wie er inlogt op de computer, hoe dan ook wordt geïnstalleerd tijdens het opstarten van de computer. |
|
Computer Configuration: Windows Settings |
|
Scripts:In dit gedeelte van het group policy object kunt u startup en shutdown scripts toewijzen aan computers. Security:U kunt hier security instellingen doen, deze worden tijdens het opstarten van een computer geconfigureerd op de computer die met deze group policy affectie heeft. |
|
Computer Configuration: administrative Templates |
|
Windows Components: Hier kunt u het gebruik van verscheidene windows componenten toestaan of verbieden. Denk hierbij onder andere aan netmeeting, windows update en Internet Information Service. System: Het gebruik van een aantal windows dll’s kan in dit gedeelte worden verboden of worden toegestaan. Voorbeelden van stukken windows die u hier kunt beheren zijn; Disk Quota’s, logon, system restore en scripts. Network: Instellingen voor een computer als netwerk client doet u hier. DNS, SNMP en Offline files settings behoren tot de mogelijkheden. Printers: Printerinstellingen. |
|
User Configuration: Software Settings |
|
Om met behulp van group policies software uit te rollen naar gebruikersobjecten gebruikt u deze optie. In tegenstelling tot computers kunnen gebruikers zelf beslissen of ze bepaalde software wél of niet nodig hebben. Om die reden kunt u op gebruikersniveau ook software publiceren zodat gebruikers zelf mogen beslissen of software wordt geïnstalleerd. Het is uiteraard ook mogelijk om op gebruikersniveau software te assignen zodat software “verplicht” wordt gesteld. |
|
User Configuration: Windows Settings |
|
RIS: De service-instellingen voor de service die het mogelijk maakt Windows automatisch, op afstand te installeren. Scripts:In dit gedeelte van het group policy object kunt u logon en logoff scripts toewijzen aan computers. Secrurity:U kunt hier security instellingen doen, deze worden tijdens het opstarten van een computer geconfigureerd op de computer die met deze group policy affectie heeft. Folder Redirection: Om ervoor te zorgen dat, bijvoorbeeld de my documents map, automatisch verwijst naar een netwerkshare in plaats van naar de lokale harde schijf van een computer, kunt u folder redirection toepassen. IE Maintenance: Een aantal IE instellingen doet u hier, waaronder; favorites, startpage, icons, connections, enzovoorts. |
|
User Configuration:Administrative Templates |
|
Windows Components: Hier kunt u gebruikersinstellingen doen voor de windows componenten die u heeft kunnen inschakelen onder de computer configuration. Start Menu & Taskbar: Hier bepaald u hoe het startmenu en hoe de takenbalk van een gebruiker eruit moet zien. U kunt ook opgeven of bepaalde knoppen en opties wel of niet beschikbaar zijn. Desktop: Bepaald hoe het bureaublad van een gebruiker eruit ziet, en welke mogelijkheden een gebruiker heeft met het bureaublad. Control Panel: Bepaald welke onderdelen van het control panel wel of niet beschikbaar zijn voor een gebruiker die door deze group policy is aangetast. Shared Folders: Instellingen voor mappen die door de gebruiker worden gedeeld op het netwerk. Network: Welke mogelijkheden heeft de gebruiker op het netwerk? U kunt het hier instellen. Denk hierbij onder andere aan het instellen en aapassen van netwerkverbindingen. System: Systeeminstellingen die door een gebruiker worden ervaren. U zou bijvoorbeeld ervoor kunnen zorgen dat een gebruiker juist wel of juist niet CTRL-ALT-DELETE moet intoetsen alvorens hij of zij kan inloggen. |
4.5 Security Group Policies.
Niet alleen restricties opleggen of folder redirection zijn functionaliteiten van group policies. Ook security instellingen kunnen op computers worden toegepast via group policies. Daarvoor is binnen een group policy object een speciale sectie gereserveerd.
Figuur 4.12: De security sectie van een group policy.
Zoals u kunt zien in Figuur 4.12 lopen de mogelijkheden tot het beveiligen via group policies zeer uiteen. Tabel 4.2 geeft een overzicht van de mogelijkheden.
Tabel 4.2: Security-opties binnen een group policy.
|
Group policy onderwerp |
Onderdelen |
Omschrijving |
|
Computer configuration\Windows Settings\ Security Settings |
|
Account Pol: Instellingen met betrekking tot gebruikersaccounts die op de betreffende computer aanwezig zijn. De instellingen gaan over wachtwoordeisen, lockouts en hoe Kerberos om moet gaan met gebruikers. Local Pol: Hier kunt u opgeven of Auditing moet worden toegepast en waarop. Ook kunt u hier opgeven welke rechten gebruikers hebben op de computer die door deze group policy geconfigureerd is. Daarnaast kunt u ook nog tal van andere security options opgeven. Dit loopt van pagefile behavior tot de manier waarop wachtwoorden worden uitgewisseld tussen deze computer en andere computers op het netwerk. Event Log: Instellingen waaraan de event logs van de betreffende computers aan moeten voldoen. Een opvallende instellingen is dat het mogelijk is een computer uit te schakelen op het moment dat het security logbestand vol is. Restricted Groups: Het is mogelijk om vanuit een group policy te bepalen welke groepen, welke leden bevatten. Dit stelt u in met behulp van restricted groups. Deze instellingen overschrijven de instellingen die u doet in Local Users and Groups op client computers of member server. Het overschrijft ook de groepen die u aanmaakt in Active Directory. System Services: Hier kunt u bepalen welke services draaien op geaffecteerde computers. Registry: Hier kunt u opgeven welke gebruikers bepaalde permissies hebben op de verschillende registersleutels op de computer. File System: U kunt hier NTFS rechten bepalen voor bestanden op de harde schijf van de geaffecteerde computer. Wireless: Een Wireless policy geeft u de mogelijkheid om voor een client computer te bepalen met wat voor draadloze netwerk deze kan verbinden. Daarnaast kunt u ook opgeven met welk SSID en WEP key de verbinding tot stand moet worden gebracht. Public Key: PKI instellingen over onder andere EFS en Trusted Root Certification Authorities. Software: Om aan te geven welke applicaties niet mogen worden uitgevoerd op de geaffecteerde computers moet u hier uw instellingen doen. IPSec: Voor configuratie van IPSec policies. |
|
User configuration\Windows Settings\ Security Settings |
|
Public Key: PKI instellingen voor auto-enrollment. Software: Om aan te geven welke applicaties niet mogen worden uitgevoerd door geaffecteerde gebruikers moet u hier uw instellingen doen. |
Tijdens een standaardinstallatie van Active Directory worden twee group policies aangemaakt die speciaal voor de beveiliging van de computers binnen uw netwerk:
- Domain Security Policy: In deze group policy kunt u instellingen doen met betrekking tot beveiliging die moeten gelden voor alle computers in het domain. Ook kunt u hier beveiligingsinstellingen doen die betrekking hebben op gebruikersaccounts. De instellingen die gaan over de wachtwoorden van de gebruikers die in Active Directory worden beschreven moet u zelfs vanuit deze group policy instellen. Instellingen die u bijvoorbeeld in deze group policy zou kunnen doen omwille van de domain security zijn:
- Wachtwoordinstellingen van uw gebruikers
- Account lockout policies
- Kerberos policies
- Domain Controller Security Policy: Deze group policy is speciaal voor het beveiligen van uw domain controllers. Omdat deze machines cruciale informatie over het netwerk bevatten én ook de Active Directory database waarin de gebruikeraccounts en computeraccounts zijn opgeslagen op deze machines is terug te vinden, is het belangrijk om extra beveiligingsmaatregelen te nemen voor dit soort machines. Deze beveiligingsmaatregelen neemt u vanuit deze group policy. Instellingen die u zou kunnen doen voor uw domain controllerbeveiliging:
- Toegang tot de domain controllers vanaf het netwerk.
- Het recht tot lokaal inloggen op de domain controller.
- De manier waarop wachtwoorden van gebruikers via het netwerk naar de domain controllers worden verstuurd vanaf de client computers.
4.6 Security Templates.
Het is erg aannemelijk dat door alle mogelijke security instellingen u het overzicht kwijt raakt. Daarbij zijn er zo veel verschillende instellingen die u kunt doen dat het heel begrijpelijk is dat u niet weet welke instellingen goed zijn voor uw netwerk en welke niet. Om het beveiligen van uw netwerk met behulp van group policies wat te vereenvoudigen worden bij een standaardinstallatie van Windows Server 2003 een aantal security templates meegeleverd. Bij deze security templates moet u denken aan voorbeelden van security instellingen die u kunt toepassen binnen uw netwerk. U wordt ook in staat gesteld zelf uw eigen security templates aan te maken voor verdere distributie binnen uw bedrijf. De standaard templates kunt u ook wijzigen naar eigen smaak. Om uw security templates te beheren heeft u een speciale snap-in voor uw management console nodig. Daarnaast is er ook nog een snap-in die het testen van deze templates mogelijk maakt beschikbaar. U neemt de volgende stappen om beide snap-in’s te toe te voegen aan een lege management console.
- Klik op start en vervolgens op run.
- Typ MMC en klik vervolgens op OK.
- Klik op File en vervolgens op Add/Remove Snap-In.
- In het venster dat wordt geopend klikt u opnieuw op Add. Er wordt een lijst met beschikbare snap-in’s getoond.
- Uit de getoonde lijst kiest u Security Templates en klikt u vervolgens op Add.
- U kiest ook voor Security Configuration and Analysis en klikt vervolgens opnieuw op Add. U klikt vervolgens op Close.
- Tot slot klikt u op OK om weer terug te keren in het beginscherm van de management console. Daar vindt u nu de twee toegevoegde snap-in’s.
Als u klaar bent met aanmaken van uw security template management console, kunt u de meegeleverde security templates bekijken door de map security templates open te vouwen.
Figuur 4.13: De lijst met meegeleverde security templates.
Tabel 4.3 geeft een omschrijving van alle security templates.
Tabel 4.3 security templates.
|
Security Template |
Omschrijving |
Extra Uitleg |
|
CompatWS.INF |
Compatible Workstation |
De standaard beveiligingsinstellingen die op een Windows Server 2003 computer aanwezig zijn, zijn veiliger dan die op Windows NT 4.0 aanwezig zijn. Een voorbeeld hiervan is dat super-users onder Windows Server 2003 vergelijkbare rechten hebben als de normale users onder Windows NT 4.0. Hierdoor kunnen de normale gebruikers onder Windows Server 2003 geen applicaties meer installeren en kunnen de applicaties zelf ook minder door opgelegde restricties. Als de CompatWS security template wordt toegepast op een Windows Server 2003, een Windows 2000 of Windows XP computer, wordt op die computer de Windows NT 4.0 beveiligingsmethodiek toegepast zodat applicaties die onder Windows NT 4.0 nog wel werkten ook onder het betreffende besturingssysteem werken. |
|
SecureDC.INF |
Secure Domain Controller |
Het security template dat een domain controller kan voorzien van extra beveiliging. Onder anderen worden wijzigingen toegepast op:
|
|
HiSecDC.INF |
High Secure Domain Controller |
Dit security template maakt een domain controller nog veiliger dan SecureDC.INF. Het beveiligt op dezelfde punten als SecureDC.INF, maar dan met nog veiligere instellingen. |
|
SecureWS.INF |
Secure Workstation |
Dit security template is vergelijkbaar met SecureDC.INF, maar is special ontworpen voor client besturingssystemen zoals Windows 2000 Professional en Windows XP Professional. U zou dit security template ook kunnen gebruiken voor Windows 2000 Servers of Windows Server 2003 computer die niet geconfigureerd zijn als Domain Controller maar als member server of stand-alone server. |
|
HiSecWS.INF |
High Secure Workstation |
Vergelijkbaar met HiSecDC maar dan ontworpen voor dezelfde systemen als SecureWS.INF. |
|
Setup_Security.INF |
Setup Security |
De security instellingen die standaard bij een schone installatie van Windows Server 2003 worden toegepast. Als u een Windows Server 2003 computer heeft geïnstalleerd, maar u heeft dat gedaan middels een upgrade vanaf bijvoorbeeld Windows NT 4.0, dan zijn uw beveiligingsinstellingen nog op het niveau van Windows NT 4.0. Om de beveiligingsinstellingen te gebruiken die u gehad zou hebben als u een schone installatie had toegepast, kunt u dit security template gebruiken. |
|
IEsACLs.INF |
Internet Explorer Access_Control_Lists |
Dit security template zorgt ervoor dat Internet Explorer iets minder veilig is dan bij een standaardinstallatie gebruikelijk is. Dit werkt vooral prettiger omdat u niet bij elke website die u bezoekt moet aangeven of u deze vertrouwt. |
|
RootSec.INF |
%Systemroot% directory_security |
Dit security template maakt uw %systemroot% directory veiliger door het aanpassen van de NTFS rechten daarop. Uw %systemroot% directory is de directory waarin u windows heeft geïnstalleerd. Standaard is dit de c:\Windows directory. |
Ondanks dat Microsoft standaard acht security templates meelevert met Windows Server 2003, kan het voorkomen dat er geen security template naar uw smaak aanwezig is. Een netwerk bestaat immers uit meer verschillende computers dan domain controllers, member-servers en werkstations. U zou op zoek kunnen zijn naar beveiligingsinstellingen voor webserver, mailservers, database servers enzovoorts. Daarvoor moet u het internet op. Zo kunt u bijvoorbeeld terecht bij het National Security Agency in de USA. www.snac.gov. Alle security templates die u heeft gedownload kunt u plaatsen in de map c:\windows\security\templates. Vanuit die directory zijn de security templates beschikbaar in de security templates management console.
U kunt ook uw eigen security tempates maken in de security templates management console. U klikt dan met de rechter muisknop op security templates en klikt vervolgens op New.
Security Configuration and Analysis.
Als u een security template heeft waarin u zichzelf kunt vinden qua beveiligingsinstellingen, kunt u bekijken of uw computer voldoet aan de eisen die in dat security template worden gesteld. Dit doet u met de Security Configuration and Analysis management console. Om een dergelijke controle uit te voeren onderneemt u de volgende stappen:
- Klik met de rechter muisknop op Security Configuration and Analysis en klik vervolgens op Open Database.
- In het venster dat wordt geopend moet u een naam intoetsen waaraan u uw controleresultaten kunt herkennen. Nadat u een naam heeft opgegeven klikt u op Open.
- Een nieuw venster wordt geopend. In dit venster ziet u alle security templates die beschikbaar zijn in de c:\windows\security\templates directory. U selecteert een security template waarmee u uw computer wilt vergelijken. Nadat u het gewenste security template heeft geselecteerd, klikt u op Open.
- U bent weer terug beland in het beginscherm van de Security Configuration and Analysis management console. U klikt nogmaals met de rechter muisknop op security configuration and analysis. Daarna klikt u op Analyse computer now.
- Een pop-up scherm wordt weergegeven waarin u kunt opgeven waar het logbestand met eventuele foutmeldingen moet worden opgeslagen. Geef een gewenste directory op en klik op OK.
Afhankelijk van de werksnelheid van uw computer ziet u een actie venster waarin alle onderdelen van een security template gecheckt worden en worden vergeleken met de instellingen van uw computer op dit moment.
Figuur 4.14: Het actie venster: uw computerinstellingen worden vergeleken met de beveiligingsinstellingen zoals deze in het security template worden gesteld.
- U bent terug beland in het beginscherm van de Security Configuration and Analysis management console. Echter, nu vindt u hieronder een lijst met alle mogelijk beveiligingsinstellingen die in een security template mogelijk zijn.
- Als u door de mappen heen bladert, zult u zien dat per setting een tweetal waarden worden getoond.
De kolom database setting geeft weer welke eis er wordt gesteld in het security template, de kolom computer setting geeft weer welke instelling op dit moment geld voor de computer. Aan het icoon aan het begin van iedere regel kunt u zien of uw computer voldoet aan de eisen van het security template of dat uw computer volgens het security template nog niet veilig genoeg is.
Figuur 4.15: Het resultaat van de analyse die is uitgevoerd in de Security Configuration and Analysis management console.
- Als u uw computer wilt configureren zoals beschreven in het door u geselecteerde security template, klikt u met de rechter muiskop op security configuration and analysis, en klikt u vervolgens op configure computer now.
Tot nu toe is het gebruik van security templates steeds beschreven in een situatie waarbij slechts één computer wordt geconfigureerd met betrekking tot beveiliging. Door gebruik van group policies kunt u hele organizational units, althans de computer objecten daarin, voorzien van de security instellingen die u wilt gebruiken, maar dan in één keer voor meerdere computers tegelijk. Om dit te kunnen doen is het belangrijk dat u precies weet hoe u group policies kunt configureren en wat de mogelijkheden zijn.
4.7 Group policy beheer.
In deze paragraaf leert u hoe u group policies kunt beheren. Eerst wordt besproken hoe u group policies kunt aanmaken en hoe u de gewenste instellingen kunt doen. Daarna leert u hoe kunt testen of de instellingen die u heeft gedaan ook daadwerkelijk werken voor de gebruikers en computers in uw netwerk. Ook leert u hoe u uw security templates via group policies kunt uitrollen naar de computers in uw netwerk op een snelle en eenvoudige manier.
De group policy management console.
Group policies worden beheerd vanuit de group policy management console. Zoals u eerder heeft kunnen lezen moet u deze eerst downloaden van de website van microsoft. Als u de group policy management console heeft geïnstalleerd, kunt u uw group policies gaan beheren. Wat de mogelijkheden van de group policy management console zijn leert u tijdens het aanmaken van een group policy en het onderhouden daarvan.
4.7.1 De eerste fase: het creëren van een group policy.
Zoals u eerder heeft kunnen lezen in dit hoofdstuk, worden group policies in Active Directory opgeslagen in de policies container, en kunt u links aanmaken op Site, Domain en Organizational Unit niveau. Op juist die niveaus maakt u ook de group policy objecten aan in de group policy management console. Dit gaat werkt als volgt.
- Open de group policy management console vanuit het startmenu.
- Vouw achtereenvolgens het domain open en klik met de rechter muisknop op het niveau waarop u een group policy wilt aanmaken. Klik vervolgens op Create and Link a GPO here. Als u een group policy wilt aanmaken die wordt gekoppeld aan een Active Directory Site, moet u eerst de map Sites openvouwen en daarna aangeven aan welke site u de nieuwe group policy wilt koppelen.
- Een nieuw venster wordt geopend waarin u kunt aangeven wat de naam van het nieuwe group policy object wordt. Klik vervolgens op OK.
Dat een group policy op de verschillende niveaus slechts een link is naar een group policy object in de policies container wordt helemaal duidelijk als u de group policy gaat aanpassen. Als u met de rechter muisknop klikt op de group policy en vervolgens klikt op edit, krijgt u de waarschuwing zoals weergegeven in Figuur 4.16.
Figuur 4.16: Een group policy is slechts een verwijzing naar het group policy object dat u terugvindt in de policies container in Active Directory.
Op dit moment is er een lege group policy aangemaakt. Hoewel er nog geen enkele instelling in de group policy is gedaan, heeft Active Directory toch al een aantal instellingen op het group policy object zelf toegepast. Om deze standaardinstellingen te bekijken heeft u een aantal tabbladen tot uw beschikking.
- Scope: Het eerste tabblad, scope, geeft aan, aan welke Sites, Domains en Organizational Units het betreffende group policy object ook is gekoppeld. Daarnaast kunt u zien welke gebruikers, computers en groepen geaffecteerd zijn met deze group policy. Als hetzelfde group policy object ook nog is gekoppeld aan een ander domain of een organizational unit in een ander domain, is dit ook zichtbaar nadat u dat andere domain heeft geselecteerd in het veld bij Display links in this location. Helemaal onderaan in dit tabblad, kunt u zien welk WMI filters zijn gekoppeld aan het group policy object dat u aan het bekijken bent. WMI staat voor Windows Management Instrumentation en is een Query language die u in staat stelt queries te doen die gaan over de hard- en software van een computer. WMI filters zouden worden kunnen gebruikt in combinatie met group policies die software uitrollen. Zo zou u ervoor kunnen zorgen dat voordat een group policy gaat draaien, eerst een controle wordt uitgevoerd, zodat alleen computers met voldoende vrije harde schijfruimte een bepaalde applicatie krijgen geïnstalleerd.
Figuur 4.17: Het tabblad Scope laat u onder andere zien aan welke domains, sites en organizational units een group policy object is gekoppeld.
- Details: Op het tabblad details vindt u Active Directory informatie over het group policy object dat deze group policy inhoudt. Onder andere vindt u hier in welk Active Directory domain de group policy is opgeslagen, en wat de Global Unique IDentifier, GUID, van het group policy object is. Tevens vindt u informatie over de versienummers van de group policy zelf en wanneer het group policy object voor is aangemaakt en wanneer het voor het laatst is gewijzigd.
Figuur 4.18: Active Directory informatie over een group policy object leest u op het tabblad Details.
- Settings: Dit tabblad geeft weer welke instellingen er zijn gezet in het group policy object zelfs. Zo heeft u in een keer het gehele overzicht met alle zaken dit in de group policy zijn geregeld. Voorheen moest u de hele group policy doorspitten om een indruk te krijgen van de ingestelde zaken. Het opbouwen van het scherm met alle instellingen kan enige tijd duren, afhankelijk van de snelheid waarmee uw computer opereert.
Figuur 4.19: De echte instellingen die in de group policy zijn gedaan treft u in een mooi overzicht aan op het tabblad Settings.
- Delegation: Net zoals ieder ander object in Active Directory, heeft ook een group policy object een Access Control List. Deze vindt u onder het tabblad Delegation. Hier kunt u aangeven welke gebruikers of groepen van gebruikers, bepaalde rechten hebben op het group policy object.
Figuur 4.20: De ACL van een group policy object wordt weergegeven op het tabblad Delegation.
4.7.2 De tweede fase: Het vullen van de group policy met instellingen.
Tot nu toe is de group policy die u heeft aangemaakt nog helemaal leeg. Hoewel deze group policy wél door uw computer- of useraccount gebruikt zal tijdens het opstarten of inloggen, zal er nog niets veranderen door het gebruik van deze group policy. Het vullen van een group policy object doet u op de hieronder beschreven manier.
- Klik met de rechter muisknop op de group policy die u wilt wijzigen. Klik vervolgens op Edit.
- De group policy object editor wordt geopend. Een nieuw venster met daarin de “computer settings” en de “user settings”.
- De instellingen die u kunt zetten heeft u eerder in dit hoofdstuk kunnen lezen bij paragraaf 5.4.
- Afhankelijk van het soort instelling dat u gebruikt, kunt u aangeven wat er met deze instelling moet gebeuren. Sommige instellingen vereisen een tekstuele invoer, zoals bijvoorbeeld de instellingen die gaan over het aanwijzen van een server voor Windows Updates. Veruit de meeste instellingen doet u zoals weergeven in Figuur 4.21 waarin u drie keuzes heeft.
· Not configured: Dit is veelal de standaard instelling. Not configured geeft aan dat deze group policy niets doet met de betreffende instelling. Als het zo is dat er eerder een andere group policy in behandeling is genomen, tijdens opstarten of inloggen, zal die instelling niet aangepast worden en wordt dan ook de instelling van die eerder behandelde group policy doorgevoerd.
· Enabled: De instelling wordt enabled, dus aangezet. Het is bij Enabled/Disabled heel erg belangrijk dat u de instelling goed leest. In het voorbeeld van Figuur 4.21 ziet u “Remove Run menu from Start menu”. Deze instelling zorgt ervoor dat als een gebruiker inlogt, hij of zij niet het Run knopje heeft in het start menu. In dat geval is die knop Removed. Maar omdat de regel “Remove Run menu from Start menu” zegt, moet deze instelling worden enabled om het gewenste resultaat te krijgen.
· Disabled: Hiervoor geldt hetzelfde als Enabled, maar dan vice versa. De instellingen Enabled/Disabled overschrijven de instellingen die uit eerder behandelde group policies zijn gezet, tenzij die eerder behandelde group policies de “force” optie hebben ingeschakeld.
Figuur 4.21: De meeste instellingen binnen een group policy object zet u op deze manier, met de opties: Not configured, Enabled of Disabled.
- Als u klaar bent met het zetten van alle gewenste instellingen, kunt u de group policy object editor afsluiten met behulp van het kruisje, rechtboven in het group policy object editor venster.
- Om tot slot te controleren welke instellingen u heeft gezet, kunt u het tabblad settings gebruiken om een overzicht hiervan te krijgen.
Figuur 4.22: Een overzicht van de inhoud van het geselecteerde group policy object vindt u in het tabblad Settings.
Het zou kunnen dat u niet wilt dat gebruikers en computers die zijn geplaatst in een bepaalde Organizational Unit geaffecteerd worden door de door u aangemaakte group policy. Om dat voor elkaar te krijgen kunt u gebruik maken van de Block Inheritance mogelijk die u op Organizational Units kunt instellen.
- Als u gebruik wilt maken van de mogelijk tot het blokkeren van de group policy inheritance, klikt u met de rechter muisknop op het niveau vanwaar de blokkering moet intreden. Vervolgens klikt u op Block Inheritance.
Figuur 4.23: Het uitroepteken als aanduiding dat het group policy inheritance is geblokkeerd vanaf een Organizational Unit.
Naast de mogelijkheid om voor gehele Organizational Units de doorgang van group policies te blokkeren, bestaat ook de mogelijkheid om voor enkele gebruikers, enkele computers en groepen van beiden uit te sluiten van gebruik van het group policy object. Dit kunt u doen door gebruik te maken van het Deny Apply Group Policy recht in de Access Control List die hoort bij het group policy object in Active Directory.
- Om gebruik te maken van het Deny Apply Group Policy recht, navigeert u naar het tabblad Delegation en klikt u op Advanced. Daar treft u mogelijkheid tot het gebruik van het Deny Apply Group Policy recht aan in de Access Control List.
Figuur 4.24 De Access Control List van een group policy object waarop u het Deny Apply Group Policy recht kunt instellen.
4.7.3 De derde fase: Een group policy testen.
Nadat u al uw group policies heeft aangemaakt en heeft geconfigureerd, kunt u gaan testen of uw nieuwe group policies ook daadwerkelijk het gewenste resultaat opleveren. Globaal gezien kunt u op twee manieren testen of de door u ingestelde group policies werken.
- U kunt uw gebruikers vragen om opnieuw de computers te herstarten en vervolgens opnieuw in te loggen in het Active Directory domain. Als de gebruikers aangeven dat er een aantal zaken zijn gewijzigd, weet u dat uw group policies werken. Het gewenste resultaat zult u niet direct hieruit kunnen opmaken omdat veel instellingen dieper in windows zitten dan het startmenu en de desktop.
- De tweede manier om te controleren of uw group policies precies doen wat u ze heeft opgedragen, is door gebruik te maken van de Resultant Set of Policy wizards, afgekort RSoP. Er zijn twee RSoP wizards beschikbaar in de group policy management console.
· Group Policy Results: In deze wizard kunt u opgeven welke gebruiker op welke computer inlogt, virtueel. Het RSoP component zal daarop uitrekenen welke instellingen effectief zijn voor die gebruiker in die situatie.
· Group Policy Modeling: Deze wizard geeft u de mogelijkheid een aantal zaken anders dan de werkelijkheid op te geven. U zou deze wizard kunnen gebruiken om na te bootsen wat voor group policies er effectief zouden zijn als een gebruiker bijvoorbeeld lid was van een bepaalde group of in opgeslagen zou zijn in een andere organizational unit als de huidige. Ook voor het computerobject in Active Directory zou u dit kunnen veranderen, virtueel. Opnieuw wordt uitgerekend wat de effectieve instellingen zouden zijn en uit welk group policy object deze instellingen voortkomen.
Group Policy Results.
Het gebruik van de group policy results wizard gaat als volgt in zijn werk.
- Klik met de rechter muisknop op group policy results en klik vervolgens op Group Policy Results Wizard.
Figuur 4.25: Start de group policy results wizard op.
- Een nieuw venster wordt geopend, het Group Policy Results Wizard venster. Dit eerste venster is verantwoordelijk voor Computer Selection. U kunt hier opgeven op welke computer de nog te bepalen gebruiker virtueel gaat inloggen. Selecteer een computer en klik op Next.
Figuur 4.26: Geef aan, op welke computer u wilt simuleren.
- In het User Selection venster selecteert u een user-object en klikt u vervolgens op Next.
Figuur 4.27: Specificeer het user-object waarvan u de effectieve group policy instellingen wilt bekijken.
- Klik op Next in het Summary of Selections venster om de wizard te voltooien.
Figuur 4.28: Het totale overzicht van de door u opgegeven opdracht.
U kunt nadat de group policy results wizard zijn werk heeft gedaan inzicht krijgen in welke group policies zijn gesimuleerd door het RSoP component.
Figuur 4.29: U kunt bekijken welke group policies virtueel zijn behandeld door het RSoP component.
Group Policy Modeling.
Als u gebruik wilt maken van de group policy modeling wizard, gaat u als volgt tewerk.
1. Klik met de rechter muisknop op Group Policy Modeling en klik vervolgens op Group Policy Modeling Wizard.
Figuur 4.30: Start de group policy modeling wizard.
2. In het Domain Controller Selection venster, kunt u aangeven welke domain controller in de simulatie wordt gebruikt. Kies uit een van de beschikbare domain controllers of kies voor Any Domain controller, en klik vervolgens op Next.
Figuur 4.31: Geef aan bij welke domain controller er wordt geauthenticeerd.
3. In het User and Computer Selection venster kunt u aangeven om welke gebruiker en welke computer het in de simulatie draait. U kunt kiezen of u een computer aan wijst via standaard Windows manier, of u kunt ervoor kiezen een container aan te wijzen en gebruik te maken van de x.500 taal door middel van Distinguished Names. Geef op welk user-object en welk computer-object u wilt gebruiken, klik vervolgens op Next.
Figuur 4.32: Geef aan welke gebruiker en welke computer in uw simulatie worden gebruikt.
4. Het venster Advanced Simulation Options geeft u de mogelijkheid extra, geavanceerde, opties toe te voegen aan de simulatie die de group policy modeling wizard voor u uitvoert. Zo kunt u ook bekijken hoe de group policies reageren en werken als een gebruiker over een traag netwerk inlogt, of dat er gebruik gemaakt moet worden van loopback processing. (Loopback Processing wordt veelal gebruikt voor kiosk-computers waar bepaalde user-instellingen doorgevoerd moeten worden, ongeacht welke gebruiker daarop inlogt.) Maak uw keuze en klik vervolgens op Next.
Figuur 4.33: Geef aan welke advanced options in de simulatie moeten worden nagebootst.
5. In het venster voor Alternate Active Directory Paths kunt u de plaats simuleren waar de computer en gebruiker zich bevinden tijdens het inloggen of opstarten. Nadat u de Active Directory paths heeft opgegeven, klikt u op Next.
Figuur 4.34: Geef een plaats aan, waar de computer en de gebruiker in uw simulatie zijn gevestigd.
6. Om aan te geven van welke Active Directory groups de gebruiker, in uw simulatie, lid is, gebruikt het venster User Security Groups. Geef aan van welke groepen de gebruiker lid is in uw simulatie, klik vervolgens op Next.
Figuur 4.35: Geef aan van welke groepen de gebruiker in uw simulatie lid is.
7. Om in uw simulatie ook voor het computer account alternatieve groepslidmaatschappen op te geven, gebruikt u het tabblad Computer Security Groups. Geef aan van welke groepen de computer lid is in uw simulatie, klik vervolgens op Next.
Figuur 4.36: Geef aan van welke groepen de computer lid is in de nagebootste omgeving.
8. In het venster WMI Filters for Users geeft u op met welke WMI filters het user-object te maken krijgt in uw simulatie. Selecteer een WMI filter en klik vervolgens op Next.
Figuur 4.37: Geef aan, als u dat nodig is, of in de simulatie ook nog rekening moet worden gehouden met WMI filters voor gebruikers.
9. In het venster WMI Filters for Computer geeft u op met welke WMI filters het computer-object te maken krijgt in uw simulatie. Selecteer een WMI filter en klik vervolgens op Next.
Figuur 4.38: Geef aan of in uw simulatie WMI filters voor computers moeten worden gebruikt.
10. Een overzicht van de uit voeren simulatie wordt weergegeven in het venster Summary of Selections. Klik op Next.
Figuur 4.39: Het totale overzicht van alle instellingen die moeten worden gesimuleerd.
11. Klik op Finish in het venster Completing the Group Policy Modeling Wizard om de simulatie te starten.
Figuur 4.40: De simulatie wordt gestart zodra u op Finish heeft geklikt.
Nadat u op Finish heeft geklikt, doet de group policy modeling wizard zijn werk. Dit kan even duren.
Als het gehele proces, de simulatie, klaar is, kunt u kiezen uit een drietal tabbladen om de resultaten te bekijken:
- Summary: Op dit tabblad kunt u zien hoe het verwerken van de group policy objecten is verlopen. Informatie over welke group policy objecten zijn gebruikt, en waaom deze zijn gebruikt en of het is gelukt dit goed te doen.
Figuur 4.41: Het overzicht van de group policies die door de group policy modeling wizard zijn gebruikt in de simulatie vindt u op het tabblad summary.
- Settings: De informatie die u vindt op het tabblad settings, zijn de uiteindelijke instellingen die de gebruiker en de computer zou gebruiken als de situatie exact zó zou zijn, als in de simulatie.
Figuur 4.42: Het resultaat van de simulatie. Op het tabblad settings ziet u het complete overzicht van instellingen die voortkomen uit group policy objecten.
- Query: Om nog eens te bekijken wat u voor instellingen heeft gedaan in de group policy modeling wizard, bekijkt u het tabblad query.
Figuur 4.43: De query die u in de group policy modeling wizard heeft samengesteld ziet u op het tabblad query.
4.8 Onderhoud van uw group policy objecten vanuit de group policy management console.
Nadat u uw group policies heeft geconfigureerd zoals u dat wilde, is het handig om ervoor te zorgen dat u een back-up maakt van uw group policy objecten. In deze paragraaf leert u hoe u een back-up kunt maken van uw group policy objecten en hoe u deze back-ups kunt terugzetten. Ook leert u group policy objecten exporteren en importeren. Feitelijk is het maken van een back-up hetzelfde als het exporteren van group policy objecten. Het is slechts het doel van de actie dat het verschil maakt. Een back-up maakt u omdat u niet wilt dat u de inhoud van de group policy objecten kwijt raakt tijdens een crash of door een andere reden. Het exporteren van group policy objecten heeft als doel de group policy objecten te gaan gebruiken in een andere omgeving dan de huidige.
Back-up.
Het maken van een back-up van uw group policies, doet u middels de volgende stappen.
1. Klik met de rechter muisknop op de Group Policy Objects map, en klik vervolgens op Back Up All.
Figuur 4.44: De group policy management console back-up tool wordt gestart.
2. Er wordt een nieuw venster geopend, het venster Back Up Group Policy Object. In dit venster moet u de locatie opgeven waar de back-up van de group policy objecten moet worden opgeslagen, dit doet u in het veld bij Location. Ook kunt u een omschrijving geven van de back-up, deze kunt u invullen in het veld bij Description.
3. Klik op Back Up om het back-uppen te starten.
Figuur 4.45: Nadat u de back-up locatie en een treffende omschrijving heeft ingevoerd, kunt de back-up procedure starten.
4. Het venster Backup geeft weer hoe ver de group policy management console is met het maken van de back-up, en of het is gelukt of dat er fouten zijn ontstaan. Nadat de back-up procedure is afgerond klikt u op OK om de group policy back-up tool te sluiten.
Figuur 4.46: De back-up is geslaagd.
Goede momenten voor het maken van een back-up van uw group policy objecten zijn er niet heel veel. Normaal gesproken zullen de group policies niet vaak wijzigen. Maak daarom een back-up van uw group policies telkens als u wijzigingen aanbrengt in een group policy object. U heeft dan van iedere “versie” van uw group policy objecten een back-up.
Restore.
Hopelijk heeft u het nooit nodig, maar als het toch zo is, moet u in staat zijn de back-up terug te zetten, ofwel restoren. Om dit te kunnen doen, onderneemt u de volgende stappen.
1. Klik met de rechter muisknop op de Group Policy Objects map, en klik vervolgens op Manage Backups.
Figuur 4.47: Zo start u de group policy management console back-up manager.
2. Een nieuw venster wordt geopend, het venster Manage Backups. Hier heeft u de mogelijkheid uw reeds gemaakte back-ups van uw group policy objecten te beheren. Zo kunt u de inhoud van de back-up, lees de instellingen die erin staan, bekijken van de back-up die u heeft geselecteerd. Ook kunt u oude back-ups verwijderen als u een back-up niet meer nodig heeft als het bijvoorbeeld een verouderde back-up betreft.
3. Uiteraard kunt u ook een back-up terugzetten, dit doet u door een back-up te selecteren en vervolgens op Restore te klikken.
Figuur 4.48: U doet uw back-up onderhoud vanuit het venster Manage Backups.
4. Nadat u heeft geklikt op Restore, wordt een volgend scherm geopend. Hierin wordt het restore proces gevolgd en wordt weergegeven of het uiteindelijk succesvol is verlopen of niet.
Figuur 4.49: De restore procedure wordt gevolgd.
4.9 Conclusie
Group policies zijn dé Active Directory objecten die het leven van de netwerk- en systeembeheerder draaglijk maken. Door restricties op te leggen aan gebruikers en computers kan er bijna niets meer misgaan door fouten van de gebruikers. Zelfs de software die wordt geïnstalleerd of wordt opgestart wordt door middel van group policies bepaald. Ook kunt u in één keer de beveiligingsinstellingen zetten voor grote groepen computers, of zelfs alle computers in uw gehele organisatie. De Group Policy Management Console (GPMC) moet vooraf worden gedownload vanaf internet om op een gebruiksvriendelijke manier uw group policy beheer te kunnen doen, maar als het zover is, ligt uw Windows netwerk aan uw voeten.
Hospitals everywhere have to abandon their computer databases when patients die after being administered incorrect dosages of their medicine. In the Midwest, a nuclear power plant nearly becomes the next Chernobyl when its cooling systems malfunction.

Skype
Twitter
Facebook
Hyvesnl
LinkedIn
FourSquare